Armenzorg in Ried in de 17e en 18e eeuw.

ARMENZORG IN RIED IN DE ZEVENTIENDE EN ACHTTIENDE EEUW – DOOR HENK SLOOTS

 

Vroeger, in de tijd voordat er sociale voorzieningen waren, was het de taak van de kerk om de nood van de zwakkeren in de samenleving te lenigen. Na de Reformatie van 1580, waarbij werd overgegaan op de protestantse godsdienst, riepen steeds meer kerken daarvoor een apart fonds in het leven: de diaconie. In Ried gebeurde dat in het jaar 1652. Het door dominee Domna bijgehouden kerkeboek vermeldt: “Anno 1652, den 5 December is tot onderhold der arme Ledematen Jesu Christi opgeregt een Diaconije”. De financiële administratie van de diaconie van Ried is bewaard vanaf het begin. Die oude rekeningboeken bieden een fascinerend inkijkje in het alledaagse leven van vroeger.


Het beheer van de gelden van de diaconie was opgedragen aan de diaken, die door de gezamenlijke kerkvoogden uit hun midden werd aangewezen. Hij had de geldkist van de diaconie onder zich en was twee of drie jaar in functie. Na afloop daarvan werd er een totaaloverzicht van inkomsten en uitgaven opgesteld en tijdens een speciale vergadering in de kerk werd die gecontroleerd en goedgekeurd. Alle kerkvoogden, en de dominee, moesten er hun handtekening onder zetten. 

Die kerkvoogden waren altijd inwoners van Ried, in de regel waren het boeren of zelfstandig gevestigde ambachtslui, zoals de bakker of de smid. Meestal was de schoolmeester ook lid van de kerkvoogdij. Dat kwam goed uit, want niet alle kerkvoogden konden lezen en schrijven. Zij ondertekenden de eindafrekening met hun ‘handmerk’, een soort getekend logo, waarna de schoolmeester erbij schreef dat het betreffende handmerk eigenhandig door de betrokkene was gezet. 

Gebruikelijk was dat de schoolmeester, penvaardig als hij was, tegen een vergoeding ook de jaarrekeningen opstelde, op grond van de gegevens die de diaken hem aanleverde. De inwendige mens werd op zulke vergaderingen niet vergeten: geregeld staan in de boeken posten als “een halve tonne bier op de reeckendagh”.

 

 

 

Ondertekening van de jaarrekening door de kerkvoogden in 1684. Een van hen, Reiner Reiners, boer op Andlastate, kon niet schrijven. Hij tekende daarom een gespiegelde R. De schoolmeester heeft er omheen geschreven: “Dit is Reiner Reiners eygen gesteld handmerck”.

Om haar functie te kunnen vervullen had de diaconie inkomsten nodig. Al voor de instelling van de diaconie stond in de kerk een zogenaamde armenschotel. Deze werd ook wel armenbekken genoemd, want hij was van koper. Met een reden, want zo was voor ieder hoorbaar dat iemand er een geldstuk in wierp. Klinkende munt, om zo te zeggen.

Schoolmeester Gerlof Freerks wordt benoemd als de eerste diaken. Om te beginnen schaft hij een ponkje aan, zo vertelt de eerste bladzijde van het diaconieboek. Voor de buidel betaalt hij een gulden aan onder andere maakloon, garen en verven. Om de “stock te draeijen” kost 6 stuivers en voor een beugel betaalt hij er nog 7. Er wordt zorg aan besteed, want iemand uit Franeker moet de buidel voeren en aan de stok zetten, dit voor 10 stuivers. Tenslotte wordt er voor 4 stuivers nog een “scheltie”, oftewel een belletje, aan de buidel gemaakt. Dat laatste was blijkbaar nodig om in slaap gevallen kerkgangers te waarschuwen. Het was de taak van de diaken om tijdens de dienst met het ponkje rond te gaan.

De eerste collecte bracht meteen een paar gulden op, maar als na een paar maanden het nieuwe eraf is, vallen de opbrengsten, die per dienst werden genoteerd, terug naar gemiddeld tien stuivers (een halve gulden) per keer. De kerkgangers wilden hun zuurverdiende geld ook niet in een keer uitgeven, want er was op zondag vaak tweemaal dienst, voor en na de middag. Op sommige zondagen werd er niet gekerkt, meestal omdat de predikant in een ander dorp de dienst waarnam. Dan werden er nullen in de kolommen voor de bedragen gezet. 

Van 5 juni tot 25 september 1653 kon er niet worden gecollecteerd, omdat de kerk toen verbouwd werd. De diensten werden zolang in Boer gehouden, zo vermeldt het rekeningboek. Boven de kerkdeur zit nog een gevelsteen, die de bouwwerkzaamheden van toen memoreert.

Kleine geldbedragen werden in stuivers uitgedrukt, de grotere in guldens (met een waarde van twintig stuivers). Naast de stuiver, wat een klein zilveren muntje was, circuleerde er ook kleingeld van koper, voornamelijk duiten. Er gingen acht duiten in een stuiver. 

 

 

dit is een stuiver
Van links naar rechts: een koperen duit, een koperen oortje (= 2 duiten) en een zilveren stuiver (= 8 duiten), alle met de detector gevonden in Ried.

Vroeger moest men zuinig leven, met geld strooien kon de gewone man niet. Meestal werd er niet meer dan - letterlijk – een duit in het zakje gedaan. Maar dat was soms ook nog teveel van het goede. Af en toe belandde een muntje naast het zakje, viel op de grond en verdween door een naad tussen de planken onder de vloer. 

Toen in 1978 de kerk van binnen grondig werd aangepakt en de houten vloer was verwijderd, kon ik met de metaaldetector een handjevol van het op die manier verloren kleingeld terugvinden. Veel van die munten waren door het intensieve gebruik sterk afgesleten, maar eentje was wel heel glad. Het bleek een platte koperen knoop te zijn, waar het oogje van afgebroken was. Het resterende uitsteeksel was netjes weggevijld en zo was de knoop nauwelijks meer van een echte duit te onderscheiden. Zeker niet in een schaars verlichte kerk. 

Ook werden er wel valse stuivertjes, niet van zilver, maar van koper, in het ponkje aangetroffen. Het kerkezakje was de ideale plek om je stiekem van dit soort “quaat gelt”, zoals het werd genoemd, te ontdoen. Het kon niet worden ingeboekt, maar werd apart gehouden en verzameld, tot het naar een opkoper ging. Het over een periode van twee jaar ontvangen kwade geld levert diaken Sipke Dirks in 1657 zo toch nog negen stuivers op.

Links een afgevijlde knoop, met de naam van de fabrikant nog zichtbaar en rechts een gesleten duit. Je ziet nauwelijks verschil.

Bij doop- en huwelijksdiensten werd er meer gegeven. Dan werd er ook gedoneerd in de armenschotel, die was blijven bestaan. Tijdens de avondmaalsvieringen, kerkelijke hoogtijdagen die zo’n twee keer per jaar werden gehouden, was de offerande een stuk hoger, vaak wel meer dan tien gulden. Daar stond dan wel tegenover dat de diaconie het benodigde brood en de wijn diende te betalen. Dat brood moest witbrood zijn. De Riedster bakker leverde alleen roggebrood, het volksvoedsel van die tijd, dus werd het, net als de wijn, gekocht bij een koopman in Franeker. 

De wijn was in het begin vaak ‘bastert’, een zoete wijn gemaakt van gedroogde druiven. Later drinkt men zoete Spaanse wijn bij het Heilig Avondmaal, aldus de rekeningen. Als er onroerend goed werd verkocht, was het de gewoonte dat de koper van de koopsom een paar goudstukken afdroeg aan de diaconie. Dat gebeurde niet zo vaak, maar per keer was het toch een aardig bedragje. Zo kreeg de diaconie bij de verkoop van de boerenplaats van de weduwe van Sybren Douwes 4 goudguldens geschonken. 

Waar werd het ingezamelde geld aan besteed? In de eerste jaren zijn het vooral kleine giften aan behoeftigen, niet alleen uit Ried, maar heel vaak ook van buiten. De ligging van het dorp aan de doorgaande landroute van Harlingen en Franeker naar Leeuwarden, maakte dat er veel doortrekkend volk door het dorp het kwam. Meestal meldden ze zich bij de pastorie, tegenover de kerk, met een zielig verhaal, waarop de dominee ze doorverwees naar de diaken voor een paar stuivers. 

Een kleine bloemlezing uit de diverse ontvangers: “een arm gebroocken man”, “een arme ellendige vrou”, “een op ’t uyterste groot gaande vrou” (hoogzwanger), “een Schotse vrou”, “een Yrse vrou” (uit Ierland) “een postulant” (iemand die een religieuze leefwijze nastreeft en daardoor niet in zijn levensonderhoud kan voorzien), “een sgamel persoon” en zelfs “een verdreven edelman uit Poollen of Russlant (so hy seyde)”. En verschillende keren betreft het vrouwen die geld inzamelen om hun man vrij te kopen, die gevangen wordt gehouden in “Turckijen”. 

Er kwamen ook wel mensen langs die collecteerden voor een ander, zoals een zekere Pijtter Jans, helemaal uit Hoorn in Holland, die geld ophaalde voor zijn zuster, die haar huis met alles erin door brand was kwijtgeraakt. Een brief van de stad Hoorn kon hij overleggen als aanbeveling. Ook voor de bouw van nieuwe kerken werd op die manier geld ingezameld. Ik kwam giften tegen voor kerkbouw in onder andere De Knipe, Gorredijk (Gorreveen genaamd) en het Noordhollandse Zijpe. 

Het was de tijd van de eerste Engelse oorlog (1652-1654), die geheel en al op zee werd uitgevochten en die de staatskas eigenlijk niet kon dragen. Veel giften betreffen dan ook “arme bootsgesellen”, zoals twee man die “van de Engelsche geplondert huysgetoogen waren ende de een in sijn been gequetst was”. Een lotgenoot, die “op ’t schip Seven Wolden gevaren hadde”, kreeg vier stuivers. De Sevenwolden was een oorlogsschip van de Friese Admiraliteit. 

Men zal dus in Ried vast wel het nodige van die oorlog hebben meegekregen. Met Pasen van het jaar 1654 krijgen de drie weduwen die Ried telt, ieder een paaswegge. Weduwe Lysbet Watses wordt verder ondersteund met ”twe farndel boonen off griemanck” om de winter door te komen. Een farndel is een oude inhoudsmaat en grienmank is een mengsel van erwten en bonen, dat ook als zodanig werd gezaaid en geoogst. 

In het eerste boekjaar, dat loopt tot 1 mei 1655, bedragen de totale inkomsten 175 gulden. Daar staan 37 gulden aan uitgaven tegenover. Er is dus meteen sprake van een aardig positief saldo en dat zal in de komende jaren alleen nog maar toenemen. Een deel van de in de loop van de tijd opgebouwde reserve wordt omgezet in landschapsobligaties (staatsleningen, zeg maar) en er worden ook leningen verstrekt aan Riedster ingezetenen, zodat er voortaan ook rente-inkomsten ingeboekt kunnen worden. 

Banken om geld van te lenen had je toen nog niet, vermogende particulieren fungeerden als geldschieters. Een gangbaar rentepercentage was rond de vijf procent. Maar kerken, al of niet met de reserves van de Diaconieën, gingen daarin ook een maatschappelijke rol vervullen. Als smid Simen Haaijes in 1666 de toen al bestaande smederij (het pand Hoofdstraat 17, nu Riedex) wil verbouwen, leent hij daarvoor 420 gulden van de kerk, tegen een rente van 4,5 %. Een nieuwe vaste inkomstenbron was het onroerend goed. 

De diaconie bezat een aantal huizen in Ried, in eerste instantie aangekocht met de opbrengst van de collectes in de kerk. Die huizen werden verhuurd. Ze waren niet bestemd voor het huisvesten van arme lieden. Die werden als kostgangers bij mensen thuis ondergebracht, in ruil voor kostgeld. Nee, het waren goedkope huurwoningen voor Riedsters, die zelf de kost bij elkaar konden scharrelen. Deels was het een belegging van de financiële reserves en deels was het een vroege vorm van sociale woningbouw. 

De noordkant van het kerkhof is pas sinds 1980 in gebruik voor begraven. Daarvoor was het daar lange tijd leeg, maar tot halverwege de negentiende eeuw stond er een eenvoudige, dubbele woning, ook van de diaconie. Dit huis was in de zeventiende eeuw eigendom van de adellijke familie Van Sixma, de bewoners van Groot Anema (gelegen aan de zuidkant van de Berlikumerweg). Het was een onroerend goedbelegging, bedoeld om rendement mee te behalen, iets wat de rijke aristocratie in die tijd veel deed. 

Het pand was door een muur in het midden in twee afzonderlijke woongedeelten gesplitst en aan weerskanten stond nog een houten hok. Het dak was met stro gedekt. Dat weten we omdat in de rekeningen regelmatig posten voor dit huis voorkomen voor de aankoop van ‘sluik’, zoals men dakstro toen noemde. De indeling bestond uit slechts één ruimte, daarom werden dit soort woningen ‘camers’ genoemd. Hooguit was er bij de deur een klein portaaltje met een trap naar de zolder, die overigens niet voor bewoning geschikt was. In het woonvertrek was een bedstedewand, waarin men sliep. Daaronder was een kelder. Een haardplaats diende voor verwarming en daar werd ook het eten bereid. In de hokken zal wel een privaat zijn geweest en water haalde men uit de nog altijd aanwezige regenwaterbak aan de oostkant van de kerk. Toen rond 1680 de familie Van Sixma de band met Ried verloor, door de teloorgang van Groot Anema, heeft een van de laatste telgen, de in 1636 in Ried geboren Agge van Sixma, dit huis aan de diaconie geschonken. De diaconie bezat meer van dit soort ‘camers’. 

Het huis van Bart en Anja aan het Kerkpad was ook zo’n dubbele woning en aan de Anemareed, tegen de ijsbaan, stond een vierkamerwoning, het ‘Langhuis’ genaamd. Op oude foto’s is het nog te zien. Ze werden verhuurd voor rond de twintig gulden per jaar. De diaconie was ook eigenaar van het schippershuis, dat tot in de zestiger jaren van de vorige eeuw aan het eind van de Opslach, de dorpsopvaart, stond, pal tegen de noordkant van het huis van Elisabeth Mees. Hier woonde de beurtschipper van Ried. Hij was de DHL van zijn tijd, met vaste beurtvaart op Franeker en Leeuwarden. 

In 1755 liet de diaconie dit huis nieuw bouwen. Mogelijk stond er daarvoor ook al een huis voor een schipper, want al in de zeventiende eeuw is er in de rekeningboeken sprake van een Riedster ‘veerschip’. Ook de opvaart wordt dan al genoemd, al heet die dan de ‘Bjusse’. Hoe belangrijk deze service voor het dorp was, blijkt wel uit het feit dat de diaconie in de achttiende eeuw zelfs een tijdlang ook de eigenaar van het beurtschip was. Huis en schip deden toen een jaarlijkse huur van 70 gulden. 

Dan was er nog het ‘Hooghuis’, zo genoemd naar zijn hoge topgevel op de noordkant. Het stond aan de zuidzijde van de Hoofdstraat, waar nu het huis nummer 12 is. Voordat de diaconie het in bezit kreeg, was het een herberg geweest. Het Hooghuis had een bijzonderheid, een ‘duvemat’. In de hoge topgevel zaten duivengaten. Op de verder niet gebruikte zolder was van gevlochten twijgen (matten) een soort kooiconstructie gemaakt, waarin de duiven woonden. Dit was niet voor liefhebberij. In het voorjaar werden de jonge duiven gevangen, om te worden verkocht. Een gebraden duif was een feestmaal. Ook de duivenmest werd verzameld en verkocht. Dat was bijvoorbeeld in 1730 een klusje voor smid Oepke Reinders. De boeken vermelden in dat jaar: ‘ontfangen van jonge duiven en dong van de Duivenmatte op ’t Hooge Huis 6 gulden, één stuiver en 2 duiten.’ Toch weer een mooie instrooier voor de diaconie. Oepke Reinders kreeg acht stuivers vergoeding. 

Naast vaste, jaarlijkse inkomsten waren er ook incidentele ontvangsten. Een heel apart vervalletje was er in 1706. Ried zag in vroeger jaren, voor de komst van de straatweg tussen Franeker en Leeuwarden, veel reizigers door het dorp komen. Het doorgaand verkeer tussen beide steden liep via Dongjum, Ried, Berlikum enzovoort. Een van die reizigers kreeg in april van genoemd jaar in Ried vette pech. Zijn paard viel op de weg dood neer. Een total loss, om zo te zeggen. De diaconieboeken vermelden dat hij zijn gestorven viervoeter ter plekke ‘vereerde’ aan de diaconie. De diaken vond daarop twee Riedsters bereid om het dier voor de helft van de opbrengst te villen, zodat het vel en de hoefijzers te gelde konden worden gemaakt. Het vel leverde een gulden op en de hoefijzers 2 stuivers, waarvan dus de helft voor de Riedster armen en de andere helft voor de twee gelegenheids-paardenvillers, zo is genoteerd in de rekening van dat jaar. 

Alles opgeteld beurde de diaconie in een gemiddeld jaar zo’n vijfhonderd gulden in, dat grofweg voor de helft opging aan kosten voor het onderhoud van het huizenbezit. De timmerman, de smid en de schilder van het dorp hadden aan de diaconie een vaste klant. De andere helft van de diaconie-inkomsten werd daadwerkelijk besteed aan behoeftige personen, waaronder de eerder al genoemde incidentele “voorbijgangers”, maar toch hoofdzakelijk aan eigen inwoners. 

Wat betreft die ondersteuning van de Riedster behoeftigen ging het niet om grote aantallen mensen. Gemiddeld waren er maar een of twee personen tegelijk afhankelijk van de diaconie, de gealimenteerden, zoals ze werden genoemd. Vaak waren het oude weduwvrouwen, die ziekelijk waren en niet meer in staat om te werken. Ze kregen weekgeld en werden voor zover nodig voorzien van eten, kleding en turf. Het eten bestond uit boter, roggebrood en, voor de opkomst van de aardappel later in de achttiende eeuw, verschillende soorten bonen en erwten. Als het mannen betrof kregen ze ook scheergeld (een van de talrijke bijbaantjes van de schoolmeester was dat van scheerbaas) en werd er geregeld dat een vrouw uit het dorp hun was deed en de boel schoon hield. 

Omdat de meeste gealimenteerden al oud waren, komt hun naam hooguit enkele jaren in de rekeningen voor, alvorens te eindigen met de kosten voor hun begrafenis. Eventuele bezittingen, zoals huisraad en kleding, werden na overlijden bij opbod verkocht, waarbij de opbrengst verviel aan de diaconie. Over een bijzonder geval, dat van de gealimenteerde Jan Taekes, die maar liefst 26 jaar door de diaconie werd onderhouden, gaat het in een volgend verhaal.